Memorandum

h Memorandum 2013 - 2018

n.a.v. Gemeentelijke verkiezingen Oostende okt 2012

1. Uitgangspunt :

De werkgroep Fietseling wenst dat Oostende zo vlug als mogelijk kan erkend worden als fietsvriendelijke gemeente in Vlaanderen. Oostende is een geschikte stad om te realiseren dat iedereen, maar in het bijzonder de jongeren en ouderen, zich veiliger en comfortabeler zouden voelen als fietsers. Daarvoor zijn ook tijdens de volgende legislatuur 2013-2018 nog inspanningen nodig.

2. Basisprincipes:

Voor de fietsinfrastructuur zijn volgende kenmerken van groot belang om geen hindernissenparcours te zijn: 2.1. Planmatige aanpak: samenhang en uniformiteit in de uitvoering van bv. wegdek van fietspaden, fietsenstallingen, ...; 2.2. Directheid (kortste afstand), bereikbaarheid; 2.3. Veiligheid: bv. Afsluiting met Omega- of Z-profielen waar conflict met auto's mogelijk is; 2.4. Comfort: geen hinderlijke drempels of boordstenen, vlotte overgangen, asfalt waar mogelijk, voldoende breedte rekening houdend met vetergang en schuwafstand; 2.5. Aantrekkelijkheid: bv. Door bezoming van veiligheidsstroken door haagjes en verlichting in tunnels wordt de sociale veiligheid voor fietsers verhoogd.

3. Om dit te bereiken is nodig dat:

3.1. De stad Oostende een belangrijke regisseursrol op zich neemt door actieve pleitbezorger en coördinator te zijn voor de zachte weggebruikers, zowel tussen interne als externe diensten. In het bijzonder moeten de schooleducatieve inspanningen verder gezet worden en hinder bij werven voorkomen worden; 3.2. Herziening van het bestaande mobiliteitsplan, met inbegrip van een fietsbeleidsplan, met het oog op ‘Oostende fietsgemeente 2013-2014’. Er moeten duidelijk prioriteiten worden gesteld en voorzien worden in concrete tijdslijnen en begrotingen. De vlotte bereikbaarheid per fiets van en naar verschillende wijken moet een topprioriteit zijn. Indien mogelijk een scheiding met gemotoriseerd verkeer om de hinder van fijnstof te reduceren en de gezondheid van fietsers te bevorderen; 3.3. Bij andere beleidsplannen (milieuplannen, jeugdbeleidsplannen, werkgelegenheidsplannen,...) worden de ingrepen getoetst aan de fietsvriendelijkheid ervan. Geregelde enquêtes bij gebruikers peilen naar de tevredenheid; 3.4. Samenspraak en overleg met de gebruikers en ervaringsdeskundigen (o.a vertegenwoordigd door de werkgroep Fietseling) waarbij jaarlijks gerapporteerd wordt over de vorderingen inzake algemene fietsvriendelijkheid en een analyse van de ongevallen waarbij fietsers betrokken zijn; 3.5. Aanpak van ontbrekende schakels, wegwerken van zwakke schakels (hellingen, scherpe bochten, hoogteverschillen ..) en doortrekken van fietspaden over de zijstraten; 3.6. Alle kruispunten met verkeerslichten moeten voorzien zijn van FOS (fietsopstelstroken); 3.7. Buseilandjes (voor opstappen in de bus waar een fietspad is) moeten oordeelkundig worden aangelegd; 3.8. Fietskluisen moeten oordeelkundig worden ingeplant. 3.9. Een deskundige fietsambtenaar die elke ingreep van werken en werven (ter plaatse) opvolgt qua veiligheid en comfort voor zachte weggebruikers. Deze fietsambtenaar signaleert ook tijdig onderhoud (verzakkingen.) of het ruimen van hinder (steenslag, sneeuw, overhangende struiken en bomen, ... ) ; 3.10. Opstellen van fietskaarten en fietsplannen voor functioneel (woon-werkverkeer en schoolverkeer) en recreatief fietsen in de stad en omgeving; 3.11. Fietspaden zouden nog beter moeten gemarkeerd worden met fietslogo's op de weg om de zichtbaarheid voor fietsers in het verkeer te verhogen; 3.12. Publieke en semi-publieke instanties moeten voldoende fietsenstallingsinfrastructuur voorzien voor hun werknemers en bezoekers. Het stadsbestuur kan hierbij tussenkomen om te zorgen voor de eenvormigheid (Pedalo's, boogstructuren, .). We denken ook aan overdekte fietsenstallingen bij belangrijke haltes van de Lijn (kusttram) of voldoende plaatsen aan de bibliotheek, de Grote Post en MuZee,...; 3.13. In dezelfde lijn moet ook voorzien worden in publieke oplaadpunten voor elektrische fietsen en publieke stevige fietspompen; 3.14. Aan verkeerslichten worden kleinere lichten op ooghoogte van fietsers geplaatst en wordt de tijdscyclus aangepast tot een minimale wachttijd. In overleg wordt bepaald waar rechtsaf bij rood licht toegepast wordt; 3.15. Bij bijzondere manifestaties en feestelijkheden moeten (mobiele) fietsstallingen voorzien worden en best ook aangekondigd door de organisatoren; 3.16. Van de politie (graag ook meer per fiets) verwachten we een kordater optreden tegen automobilisten die de fietspaden bezetten, maar ook dat er een oogje in het zeil gehouden wordt op plaatsen die fietsdiefstalgevoelig zijn; 3.17. Fietsende politici en ambtenaren kunnen niet alleen een modelfunctie vervullen, maar kunnen ook ervaringsdeskundig worden om beter te plannen en de gevolgen van beleidsmaatregelen aan de lijve te ondervinden; 3.18. De mogelijkheid om fietsstraten in te richten moeten ernstig onderzocht worden. Wanneer de weg te smal is om fietsers veilig te laten rijden naast auto's, moet overwogen worden om er een fietsstraat van te maken. De Koningsstraat en de Visserskaai komen hiervoor alvast in aanmerking; 3.19. Initiatieven als ‘met Belgerinkel naar de Winkel’, maar ook inspanningen om minstens ééns per jaar een deel van Oostende autovrij te maken moeten verder ondersteund worden in samenspraak met de handelaars en horeca-sector.

We baseerden ons bij deze tekst op volgende bronnen:

Vlaams Fietsvademecum maart 2014 (link)
Fietsvademecum van het Brussels Gewest 2015 (link)
Memorandum van de werkgroep Fietseling 2006 - 2012 (link)
Checklist criteria bij de verkiezing van Fietsgemeente/-stad 2015 (link)